Kritiek op de Deense aanpak in de strijd tegen deepfakes: een waarschuwing voor Nederland?
- Britte Cruijsen

- Mar 31
- 4 min read
Updated: 13 hours ago
In Denemarken heeft de overheid de strijd tegen deepfakes geopend, en gebruikt daarvoor het auteursrecht. Bij een deepfake wordt iemands gezicht of stem met behulp van kunstmatige intelligentie (AI) zo echt nagebootst, dat het bijna niet van echt te onderscheiden is. In het Deense wetsvoorstel wordt geregeld dat iedere burger een auteursrecht krijgt op zijn of haar stem en gezicht. Als dan een deepfake wordt gemaakt waarin een persoon wordt geïmiteerd, kan deze persoon zich beroepen op zijn auteursrecht. De Europese Commissie heeft zich echter kritisch uitgelaten over dit Deense wetsvoorstel. Deze kritiek kan ook gevolgen hebben voor Nederland, want ook hier ligt een vergelijkbaar wetsvoorstel klaar. Maar waar voorziet de Europese Commissie problemen? En zien we die problemen ook terug in het Nederlandse voorstel?
Kritiek van de Europese Commissie
Volgens de Europese Commissie zou de deepfake-problematiek het terrein van het auteursrecht overstijgen. De kern van het auteursrecht omvat het beschermen van het werk van de maker. Dat is eigenlijk al waar het Deense voorstel in de problemen komt. De persoon die in een deepfake wordt geïmiteerd, is namelijk niet de maker van de deepfake en heeft daarom ook niet het auteursrecht op de deepfake.
Zo komen we meteen bij het tweede knelpunt van dit voorstel: de achterliggende doelen botsen. Waar het auteursrecht de exploitatie van werken moet bevorderen en makers van werken wil belonen, beoogt de Deense overheid juist de makers van deepfakes af te remmen en burgers te beschermen tégen de exploitatie van hun persoonlijkheid in de vorm van een deepfake. Dit lijkt niet samen te gaan met de insteek van het auteursrecht.
Het Nederlandse voorstel
In Nederland wordt een zelfde soort recht voorgesteld, maar dan in de vorm van een nieuw naburig recht. Dit is een recht dat prestaties beschermt van uitvoerende kunstenaars, zoals muzikanten en acteurs. Het nieuwe naburige deepfake-recht heeft tot gevolg dat de maker van een deepfake altijd de toestemming moet hebben van de persoon die hij of zij in de deepfake wil imiteren. Zonder toestemming van die persoon mag de deepfake dan niet worden gebruikt.
Maar ook hier lijkt niet iedereen voorstander van te zijn. Zo zou, ook hier, het intellectueel eigendomsrecht niet de juiste plek zijn om de strijd tegen deepfakes te voeren. Naburige rechten beschermen dus de prestaties van uitvoerend kunstenaars, maar een imitatie van een persoon in een deepfake is niet per definitie een reproductie of openbaarmaking van een dergelijke prestatie.
Daarnaast wordt geen enkel onderscheid gemaakt in de context, het soort toestemming of het doel van het gebruik. Daarom maken organisaties zoals Streamingsdiensten Nederland en Motion Picture Association zich ernstige zorgen over de gevolgen van dit naburige deepfake-recht. Bepaalde technieken die tegenwoordig veelvuldig worden gebruikt zouden namelijk ook binnen de definitie van deepfake vallen en daarmee afhankelijk zijn van voorafgaande toestemming. Denk aan een historische film waarin een overleden acteur weer 'tot leven' wordt gewekt met AI. Een ander pijnpunt is het feit dat deze route het (on)gewenste gevolg heeft dat deepfakes eerder worden genormaliseerd en gecommercialiseerd, dan dat de ‘normale’ persoon wordt beschermd tegen ongewenste deepfakes.
De noodzaak om burgers te beschermen tegen deepfakes wordt niet ontkend, stelt ook de Commissie. Daarentegen is duidelijk geworden dat de door Nederland en Denemarken gekozen route van het auteursrecht niet de juiste is. De focus moet liggen op de effectieve handhaving van reeds bestaande grondslagen zoals het strafrecht, privacyrecht en civiele recht.
Alternatieve oplossingen
Een vraag die we onszelf dus moeten stellen is of we überhaupt nieuwe grondslagen in het leven moeten roepen in de strijd tegen deepfakes. Biedt ons rechtssysteem niet al voldoende alternatieve grondslagen?
Vanuit meerdere hoeken wordt het portretrecht als oplossing genoemd. Dit lijkt ook aannemelijker, aangezien de deepfake eigenlijk een soort portret van een persoon is. Een belangrijke kanttekening hierbij is wel de uitzondering ten aanzien van zogenaamde publieke figuren, zoals bekende Nederlanders en politici. Mensen met veel bekendheid hebben meer te dulden ten aanzien van publicaties van portretten en dus ook eventuele deepfakes. Daarentegen hebben zij juist een sterkere positie op het moment dat een deepfake voor commerciële doeleinden wordt ingezet. En hoe zit het dan met de deepfake waarin alleen een stem wordt nagebootst? Dan gaat een beroep op het portretrecht niet op en moet er toch weer verder worden gekeken.
Dat brengt ons bij de volgende vraag: is het intellectuele eigendomsrecht wel de oplossing in de strijd tegen deepfakes? Bescherming tegen deepfakes kan namelijk al worden gevonden in het strafrecht, de AVG en het civiele recht. Binnen het strafrecht kan men denken aan de vervalsing en het gebruik van biometrische persoonsgegevens en in het kader van de AVG kan een deepfake onder de noemer van de onrechtmatige verwerking van zeer gevoelige persoonsgegevens vallen. Een schending van het recht op privacy kan ook buiten de AVG worden gehandhaafd, bijvoorbeeld via de route van de onrechtmatige daad. In tegenstelling tot bij de intellectuele eigendomsrechten, worden door deze grondslagen óók de nabootsing van de stem en de benoeming van persoonlijke informatie beschermd.
Kortom: de techniek gaat razendsnel, maar het bestaan van effectieve hulpmiddelen lijkt te worden vergeten. Voorlopig lijkt 'ouderwetse' privacywetgeving de beste verdediging tegen ongewenste AI-kopieën.
Word jouw werk nagebootst in deepfake zonder dat jij dat wil? Of heb je andere vragen over AI en auteursrecht? Laat je adviseren door één van onze juristen in een gratis gesprek!






